| gedichten, gedachten & geloven…
Verlangen naar God
Wij vallen allemaal
nov 5th
Die Blätter fallen, fallen wie von weit,
als welkten in den Himmeln ferne Gärten;
sie fallen mit verneinender Gebärde.Und in den Nächten fällt die schwere Erde
aus allen Sternen in die Einsamkeit.Wir alle fallen. Diese Hand da fällt.
Und sieh dir andre an: es ist in allen.Und doch ist Einer, welcher dieses Fallen
unendlich sanft in seinen Händen hält.©
Rainer Maria Rilke, Herbst.
De herfst vernielt ons land. De bladeren vallen, vallen van daarginds alsof verre tuinen verwelken in de hemel. De grond bezaaid met kleuren want uit de dood ontstaat een nieuw bestaan. Zoals een kerk eens groot en machtig op haar zetel vecht voor haar behoud, nu duizend kleuren op de grond. Zij vallen met afwijzende gebaren. Jou wil ik niet meer zien, jouw kloppend hart niet langer voelen. Je hebt me pijn gedaan.
Wij vallen allemaal. Deze hand hier valt. En zie de anderen: het is in allen. Gebroken in het hart van ons bestaan. Een Man te volgen, een Weg te gaan. Het is de herfst die ons vernield, die onze wonden open legt. Een man, een vrouw, op zoek naar nieuwe wegen. Je hebt me pijn gedaan. Nu wil ik nooit meer, alleen nog maar, altijd de vrijheid vinden. En dan zeg jij: ‘Kom laat mij je liefde geven.’
Ik val, val als geen ander vallen kan. Een moederhond gewekt schrikt van haar jonge honden. Wie zij zijn en wat zij zeggen, dat er pijn is in hun hart. Wij allen zijn gevallen. Er is geen blad nog groen, onaangetast… zelfs niet één. Onze kelen open graven, onze tong spreekt dubbel, achter onze lippen schuilt het gif van een adder, een mond vol slechte woorden. Wij vallen allemaal.
En toch, toch is er Eén, die al dit vallen oneindig zachtjes in zijn handen houdt. En op een dag – het duurt nog even – zullen wij zien, omhelzen. Gezien in handen van vergeving stappen wij samen voorwaarts.
12 manieren om uw niet-gelovige kind lief te hebben
nov 15th
‘Mijn zoon Abraham – die spreekt vanuit zijn wijsheid van zijn eigen ervaring en vanuit de Bijbel – heeft het hier volgende artikel geschreven. Ik lees het met een lach en een traan. Het artikel is zo overtuigend dat ik hem meteen vroeg of ik het kon delen met de gemeente en de bredere christelijke gemeenschap. Er is geen grotere vreugde te bedenken dan te zien dat je kinderen in de waarheid willen wandelen – en het zo goed onder woorden brengen. Wat hier volgt heeft Abraham geschreven.
– John Piper
9 mei 2007, Abraham Piper
Veel ouders hebben een gebroken hart en zijn gefrustreerd vanwege hun ongelovige zoon of dochter. Ze hebben geen idee waarom het kind dat zij hebben opgevoed zulke verschrikkelijke en destructieve keuzes maakt. Ik ben nooit één van deze ouders geweest, maar ik ben één van deze zoons geweest. Terugkijkend op die ervaring, wil ik deze suggesties aanbieden om u te helpen uit te reiken naar zo’n zoon of dochter.
1. Wijs ze op Christus.
Het echte probleem van het rebellerende kind is niet drugs, seks of sigaretten, of pornografie, of luiheid, of criminaliteit, of vloeken, of slordigheid of homoseksualiteit of deel zijn van een punk rock band. Het echte probleem is dat ze Jezus niet helder voor ogen hebben. Het beste wat u voor ze kunt doen – overigens ook de enige reden om iets van deze suggesties over te nemen – is hen laten zien wie Jezus is. Dat is geen eenvoudig of onmiddellijk proces, maar de zonden in hun levens die hen vernietigen en die jullie als ouders pijn doen zullen alleen verdwijnen wanneer ze Jezus beter en duidelijker gaan zien.
2. Bid.
Alleen God kan uw zoon of dochter redden. Blijf dus onophoudelijke vragen dat Hij zichzelf aan hen laat zien op zo’n manier dat ze er niet omheen kunnen om Hem te aanbidden.
3. Erken de dingen die verkeerd zijn.
Als uw dochter Jezus afwijst, doe dan niet net of alles oké is. Voor elk niet gelovend kind zullen de details verschillen. Elk kind heeft ouders nodig die op unieke wijze naar hen uitreiken. Wat in ieder geval niet de juiste manier is, is helemaal niet naar ze omkijken. Als uw kind niet gelooft in God, doe dan niet net of er niks aan de hand is. De vakanties zijn dan misschien wel makkelijker, maar het gaat om hele belangrijke zaken.
4. Verwacht niet dat ze op Jezus lijken.
Als uw zoon geen christen is, gaat hij zich ook niet zo gedragen. U weet dat hij de weg van geloof verlaten heeft, dus verwacht ook niet dat hij zal leven volgens de standaarden waarmee u hem hebt opgevoed. U kunt bijvoorbeeld geneigd zijn om te zeggen: ‘Ik weet dat je het moeilijk vind om in Jezus te geloven, maar kan je dan niet ten minste toegeven dat elke dag die je verspild zonde is?’ Als hij problemen heeft met Jezus, dan heeft het weinig zin om telkens aan te geven dat dronkenschap verkeerd is. U wilt hem beschermen, maar zijn ongeloof is het grootste probleem – niet de feestjes. Het maakt niet uit op welke manier uw zoon zijn ongeloof uit in gedrag, wees er altijd op gericht om de ziekte van het hart aan te spreken en niet de symptomen.
5. Heet ze welkom thuis.
Omdat uw diepste zorg het hart van uw kind is – en niet zijn gedrag – kunt u beter niet teveel eisen stellen aan zijn bezoeken thuis. Als er ook maar enige indicatie is dat hij of zij met u samen wil zijn, dan is dat een van God gegeven kans om hem of haar lief te hebben op een manier die op Jezus wijst. Er zijn natuurlijk gevallen waarin eisen moeten worden gesteld: ‘Kom niet naar ons huis wanneer je…’ Maar dit zijn zeldzame gevallen. Verklein de kansen niet om samen te zijn met uw kind door te veel regels te stellen. Als uw dochter naar weed ruikt, of naar een asbak, ontlucht dan hun jassen en verschoon hun beddengoed als ze weer vertrekt, maar laat haar thuis komen. Als u er achter komt dat ze zwanger is, koop dan Folic Acid en neem haar mee naar de benodigde controles. Bescherm haar voor abortus en laat haar te allen tijde thuis komen. Als uw zoon door z’n geld heen zit omdat hij al het door u geleende geld heeft uitgegeven aan vrouwen en drank, vergeef dan zijn schuld zoals u vergeven bent. Geef hem niet meer geld, maar laat hem thuis komen. Als hij al anderhalve week niet is thuisgekomen omdat hij in het appartement van zijn vriendin – of vriend – gebleven, vraag hem dan niet terug te gaan en laat hem thuis komen.
6. Blijf ze ernstig bevragen, in plaats van reprimandes te geven.
Wees vriendelijk in uw teleurstellingen. Waar het werkelijk om gaat is dat uw kind zichzelf aan het vernielen is, niet dat zij uw regels breekt. Behandel haar op een manier die dit duidelijk maakt. Ze weet waarschijnlijk – zeker wanneer ze met geloven is opgevoed – dat ze dingen verkeerd doet. En ze weet in ieder geval dat u dat denkt. Ze heeft het dus niet nodig dat u dat nog eens fijntjes laat merken. Ze wil zien hoe u reageert op haar kwaad. Uw vriendelijke voorkomen en verdrietige hoop laat haar zien dat u werkelijk op Jezus vertrouwt. Haar geweten kan haar al genoeg beschuldigen. Ouders moeten vriendelijk en standvastig zijn, altijd in de hoop dat hun kind terugkeert naar de bron van die hoop.
7. Verbind ze aan gelovigen die betere toegang tot ze hebben.
Er zijn twee manieren van toegang die je kunt hebben tot je kind: geografisch en relationeel. Als uw weggelopen zoon ver weg woont, probeer dan een gezonde gelovige te vinden in dit gebied en vraag hem contact aan te gaan met uw zoon. Dit lijkt misschien stiekem, dom of beschamend voor hem, maar het is het waard – vooral wanneer de gelovige in staat is om emotioneel contact met hem te maken op een manier die u niet (meer) lukt. Relationele afstand kan ook een bij-effect zijn van het feit dat uw kind niet wil geloven in God. Het kan voorkomen dat de band die u met uw kind hebt erg zwak wordt. Daarom is bescherming van die relatie van het grootste belang. Maar ook dan is het soms nodig om kritisch te zijn.
Op dit punt kan het erg behulpzaam zijn wanneer een ander toegang heeft tot uw kind. Als er iemand is die uw zoon vertrouwt en waarmee hij het zelfs prettig vindt om samen te zijn, dan staat deze gelovige in de positie – op een manier die werkt – om uw zoon te vertellen dat hij idioot bezig is. Dit klinkt misschien hard, maar het is een bericht dat we allemaal van tijd tot tijd nodig hebben. En juist de mensen die we vertrouwen kunnen soms in staat zijn om een reprimande tot een gift te maken. Heel veel rebelse kinderen zouden er bij gebaat zijn om te horen dat ze dwaas bezig zijn – dus blijft proberen om andere christenen in het leven van uw kinderen te brengen.
8. Respecteer hun vrienden.
Eer uw rebelse kind op dezelfde manier waarop u elke andere ongelovige zou eren. Ze zullen misschien omgaan met mensen waarmee u niet gezien wilt worden, maar het zijn vrienden van uw kind. Respecteer dat – zelfs wanneer de relatie die gevormd wordt is gebaseerd op zonde. Ze zijn slecht voor uw zoon, dat klopt, maar hij is ook slecht voor hen. Er wordt niets opgelost wanneer u duidelijk maakt dat u zijn vrienden niet waardeert. Als uw zoon zijn gezicht laat zien op een familie-verjaardag met weer een andere vriendin – misschien wel iemand die u nog nooit hebt gezien of nooit meer zal zien – wees dan vriendelijk en gastvrij. Zij is waarschijnlijk ook zo’n rebels kind van iemand anders en ook zij heeft Jezus nodig.
9. E-mail ze.
Prijs de Heer voor technologie die er voor zorgt dat u makkelijk in contact blijft met uw kinderen! Als u iets leest in de Bijbel dat u raakt of bemoedigt of helpt om Jezus lief te hebben, schrijf daar dan in een paar regels over naar uw kind door een e-mail of sms. Het beste voorbeeld wat ze kunnen krijgen is een positief voorbeeld van Christus vreugde in uw leven. Beklemtoon in deze berichten niet dat iedereen zo sterk m
oet zijn als u in uw geloof. Stuur gewoon het ene berichtje na het andere en laat het toenemende effect van uw tevredenheid in God zich verzamelen in de inbox van uw kind. Gods woorden worden nooit voor niets verkondigd.
10. Neem ze mee uit eten/lunch.
Probeer – als het mogelijk is – om niet alleen digitaal contact te hebben. Probeer face to face contact te hebben als dat kan. Misschien denkt u dat dit oncomfortabel is, maar geloof me dat het erger is voor uw kind, hij of zij ervaart hetzelfde ongemak met daarbij nog een schuldgevoel… Dus als het mogelijk is om samen te lunchen – prijs God – en gebruik deze mogelijkheid. Het voelt haast hypocriet om dan over dagelijkse dingen te spreken, omdat het u gaat om zijn geloof in God, maar probeer het gewoon. Hij moet weten dat u om zijn hele leven geeft. Bid dan ook voor een mogelijkheid om hem voor het einde van de lunch een goede vraag te stellen over zijn ziel. Je weet niet hoe hij daarop zal reageren. Zal hij met zijn ogen rollen alsof u een idioot bent? Zal hij boos worden of weggaan? Of heeft God in hem gewerkt sinds het laatste gesprek? Dat zul je niet weten wanneer je het niet riskeert om er over te praten… Een opmerking voor ouders met jongere kinderen: probeer regelmatig uit eten te gaan met uw kind. Dat is niet alleen goed voor dat moment, maar maakt het samen afspreken tot iets gewoons zodat het ook in de ‘rebelse fase’ niet vreemd is om samen af te spreken. Als een zoon elke zaterdag met zijn vader samen eet – vanaf jongs af aan – dan zal het veel moeilijker zijn om later in zijn leven ‘nee’ te zeggen tegen dit aanbod (zelfs als hij negentien is).
11. Toon interesse in hun bezigheden.
Er is een kans dat, wanneer uw dochter Christus afwijst, u haar tijdsbesteding een teleurstelling vindt. Probeer er toch de waarde van in te zien en probeer haar te bemoedigen. U bent naar haar school geweest toen ze klein was en een sportwedstrijd had, waarom zou u dat niet doen als ze twintig is? Zo laat u zien dat u om haar geeft. Jezus bracht tijd door met tollenaars en prostituees, terwijl dat niet eens zijn zoons of dochters waren. Lijk op Christus door een ouder te zijn die (met oordoppen in) naar een nachtclub gaat waar uw dochter haar nieuwste CD presenteert. Bemoedig haar en stop nooit om voor haar te bidden dat ze op een dag haar gaven zal gebruiken om ze in te zetten voor Jezus’ glorie in plaats van voor zichzelf.
12. Wijs hen op Christus.
Dit kan niet genoeg worden benadrukt. Hier gaat het in alles om. Er is geen enkele strategie met blijvend effect als het onderliggende doel niet is om hen te helpen Jezus te leren kennen. Het is niet het doel dat ze weer goede kinderen zullen zijn; dat ze weer een douche nemen; dat ze van klassieke muziek gaan houden in plaats van metal; dat u niet meer elke week een omhelzing nodig hebt in uw Bijbelstudiegroep; dat ze op een goede partij stemmen de volgende verkiezingen; of dat u weer ’s nachts goed kan slapen omdat u weet dat ze in de hemel komen. De uiteindelijke reden waarom u voor hen bidt, hen welkom heet, vragen stelt, e-mailt, met hen eet of interesse toont in hun bezigheden is dat hun ogen zullen worden geopend voor Jezus. En hij is niet alleen het enige doel, maar ook de enige hoop. Als zij de glorie van Christus zien, zal hun idee over bevrediging worden bijgesteld. Hij zal het najagen van geld, bewondering, drugs en het orgasme waar ze eerst voor leefden vervangen voor zichzelf. Alleen Jezus’ genade kan hen af houden van hun gevaarlijke interesses en verbinden aan God – dienaar van Jezus, maar gelukkig. Hij wil dat doen voor velen. Wees trouw en geef niet op.
:: © ::
Door Abraham Piper. © Desiring God.
Website: http://www.desiringgod.org/.
Email: mail@desiringGod.org.
Toll Free: 1.888.346.4700.
Vertaald door Niels van Donselaar en verschenen op
http://verlangennaargod.blogspot.com op 15-11-2008.
Praat met mensen, niet over hen…
okt 11th
Wat ik 6 augustus uit de preek liet…
In mijn eerste preek na vijf maanden van afwezigheid, liet ik iets weg. Het stond in mijn aantekeningen maar het leek niet aan te sluiten bij de hoofdboodschap toen ik het tegenkwam. Dus sloeg ik het over. Maar ik wilde het wel graag zeggen. Dus zeg ik het nu.
U herinnert zich dat in Lucas 18:9, Lucas de gelijkenis van de farizeeër en de tollenaar op de volgende manier introduceert: “En Hij zeide ook tot sommigen, die bij zichzelf vertrouwden, dat zij rechtvaardig waren, en de anderen niets achtten, deze gelijkenis.” Het lijkt op het eerste gezicht misschien een kleinigheid, maar let er op dat er staat dat Jezus deze gelijkenis sprak tót sommigen die op zichzelf vertrouwden. Er staat niet dat Hij deze gelijkenis óver hen sprak. Jezus keek de farizeeën in de ogen en vertelde hen een gelijkenis die impliceerde dat zij zelfingenomen en hoogmoedig waren. Hij praatte niet óver hen, maar tót hen.
Het lijkt misschien een kleinigheid, maar het bevat een enorme les voor de gezondheid van onze kerk. Laten wij ook zo zijn. Laten we niet met anderen praten óver fouten van mensen. Laten we mét hen over hun fouten praten. Het is gemakkelijk- en veel te lekker op de tong van onze met zonde bevlekte ziel – om óver mensen te praten. Maar het is moeilijk – en smaakt vaak bitter- om mét ze te praten. Waneer je over hen praat, kunnen ze je niet corrigeren of de rollen omdraaien en jou het probleem maken. Maar als je met ze praat over een probleem dan kan dat heel pijnlijk zijn. Dus voelt het veiliger om over ze te praten, in plaats van met ze.
Maar Jezus roept ons niet op om veilige keuzes te maken. Hij vraagt om liefdevolle keuzes. Op de korte termijn is liefde vaak pijnlijker voor ons dan veilig het conflict te ontwijken. Maar op de langer termijn veroordeeld ons geweten ons voor het kiezen van de makkelijke weg en doen we anderen weinig goed. Dus laten we meer op Jezus lijken in dit geval en niet praten over mensen maar met ze. Zowel met woorden van bemoediging, omdat we bewijs van genade in hun leven zien, en met woorden van voorzichtigheid, waarschuwing, correctie of zelfs vermaning. Paulus roept ons op om met verschillende woorden te spreken om verschillende behoeften tegemoet te komen: “wijst de ongeregelden terecht, beurt de kleinmoedigen op, komt op voor de zwakken, hebt geduld met allen.”(1 Tess. 5:14)
Ik bedoel niet dat je President Bush niet kunt bekritiseren zonder hem op te bellen. En ik bedoel ook niet dat je mijn preken niet kunt bespreken, zowel positief als negatief, zonder naar me toe te komen. Mensen die in de openbaarheid treden weten wat ze doen en begrijpen dat iedereen een mening zal hebben over wat ze zeggen. Dat mag ook. Wat ik bedoel is dat wanneer je een broeder of zuster kent die in de greep is van een zondige houding of zondig gedrag, neem dan de balk uit je eigen oog, en ga naar hen toe en probeer hen te dienen met een nederig Bijbels advies.
Je kunt bijvoorbeeld een gelijkenis vertellen. Dat deed Jezus in Lucas 18:9-14. En Nathan deed dat ook voor David na zijn zonde met Batseba en tegen Uriah (2 Samuel 12:1-4). Maar je hoeft niet zo creatief te zijn. Dat je geeft om de persoon die je confronteert is veel belangrijker dan creativiteit.
Mijn verlangen voor onze kerk is dat we vrij zijn van roddel. Laten we rechtstreeks en eerlijk en moedig en nederig zijn. Jezus was soms verbazingwekkend direct. Liefde klinkt soms zo. Hij had makkelijk beschuldigd kunnen worden van ongevoeligheid of liefdeloosheid. Maar we weten dat Hij de meest liefdevolle persoon was die ooit geleefd heeft. Dus laten we Hem in deze dingen volgen. Hij stierf voor ons zodat de balken en splinters in onze ogen vergeven konden worden. Dat moet ons zowel moed geven als liefdevolle zorg in de omgang met anderen. Zeker wanneer we realiseren dat de fouten van onze broeders en zusters ook door Jezus vergeven zijn.
Wat een ongelofelijk startpunt hebben we voor relaties. Een vergeven, gerechtvaardigde, Geestvervulde gemeenschap van mensen die in liefde en genade willen groeien. Bedankt dat u met liefde Jezus wilt vertrouwen en volgen in het praten met elkaar, in plaats van over elkaar.
Blij om terug te zijn,
Pastor John
Deze vertaling heb ik overgenomen van wiki-translations, waar meerdere preken van John Piper online in het Nederlands (dutch) zijn verschenen…
Aanbidding is een innerlijke, Godgerichte ervaring
okt 11th
Het Nieuwe Testament getuigt van een oorverdovend stilzwijgen als het gaat om uiterlijke plaatsen en vormen van aanbidding. Het spreekt van een radicale verdieping van aanbidding als innerlijke, Godgerichte ervaring van het hart, die tastbaar wordt in het leven van alle dag. De stilte rondom uiterlijke vormen is opvallend hierin, dat het leven van de gemeente als zodanig nergens in het Nieuwe Testament ‘aanbidding’ wordt genoemd. En het voornaamste Oudtestamentische woord voor aanbidding (proskuneo in de Septuagint) ontbreekt nagenoeg in de Nieuwtestamentische brieven.
“Wat doet het ertoe? In elk geval, hetzij met een bijoogmerk,hetzij in oprechtheid, wordt Christus verkondigd; en daarin verblijd ik mij, en zal ik mij ook verblijden.19 Want ik weet, dat dit mij tot behoud zal strekken door uw gebed en de bijstand des Geestes van Jezus Christus, 20 naar mijn vurig verlangen en hopen, dat ik in geen enkelopzicht beschaamd zal staan, maar dat met alle vrijmoedigheid, zoals steeds, ook nú Christus zal worden grootgemaakt in mijn lichaam, hetzij door mijn leven, hetzij door mijn dood. 21 Want het leven is mij Christus en het sterven gewin. 21 Indien ik in het vlees blijf leven, betekent dat voor mij werken met vrucht, en wat ik moet kiezen, weet ik niet. 23 Van beide zijden word ik gedrongen: ik verlang heen te gaan en met Christus te zijn, want dit is verreweg het beste; 24 maar nog in het vlees te blijven is nodiger om uwentwil.” (Fil. 1:18-24)
Het Nieuwe Testament getuigt van een oorverdovend stilzwijgen als het gaat om uiterlijke plaatsen en vormen van aanbidding. Het spreekt van een radicale verdieping van aanbidding als innerlijke, Godgerichte ervaring van het hart, die tastbaar wordt in het leven van alle dag. De stilte rondom uiterlijke vormen is opvallend hierin, dat het leven van de gemeente als zodanig nergens in het Nieuwe Testament ‘aanbidding’ wordt genoemd. En het voornaamste Oudtestamentische woord voor aanbidding (proskuneo in de Septuagint) ontbreekt nagenoeg in de Nieuwtestamentische brieven.
Die verdieping van aanbidding als innerlijke, Godgerichte ervaring van het hart kunnen we zien in de woorden van Jezus, dat het uur komt en nu is dat aanbidding niet gesitueerd zal worden in Samaria of Jeruzalem, maar zal gebeuren “in geest en in waarheid” (Johannes 4:21-23). De innerlijke geestelijke werkelijkheid vervangt hier de geografische plaatsbepaling. We zien dat ook weer in Mattheüs 15:8-9, waar Jezus zegt: “Dit volk eert Mij met de lippen, maar hun hart is verre van Mij. Tevergeefs eren zij Mij.” Aanbidding die niet recht uit het hart komt, is ijdel, leeg. Het is geen oprechte aanbidding. Het is geen aanbidding. Dat zien we ook in Romeinen 12:1, waar Paulus zegt dat wij, christenen, ons lichaam aan God moeten aanbieden in dagelijkse gehoorzaamheid aan Zijn wil, als een ‘geestelijke eredienst’.
Hieruit concludeer ik dat het wezen van aanbidding niet bestaat uit uiterlijke, plaatsgebonden tekenen, maar uit innerlijke, Godgerichte ervaring, die niet in de eerste plaats blijkt uit de kerkdiensten, hoe belangrijk deze ook zijn, maar vooral zichtbaar wordt in dagelijkse uitingen van trouw aan God – in je seksleven, in de manier waarop je met je geld omgaat, je trouwbeloftes houdt, of getuigt van Christus.
Welke ervaring is het die God groot maakt?
Ik wil gewoon vaststellen wat het wezen van die innerlijke ervaring is, die we ‘aanbidding’ noemen. Als het in wezen geen uitwendig teken is, maar een ervaring van het hart, wat voor ervaring is dat dan?
Ik ga uit van het gegeven dat aanbidding, of het nu gaat om een innerlijk teken van het hart, of een uiterlijk teken van het lichaam of de gemeente als collectief, betekent ‘God grootmaken’. Het is een teken dat laat zien hoe schitterend God is. Het is een teken dat toont of uitdrukt hoe groot en glorierijk Hij is. Aanbidding heeft alles te maken met de weerspiegeling van Gods waarde en waardigheid.
De vraag die we ons stellen is dus: Welke innerlijke ervaring van het hart doet dat? Als het wezen van aanbidding geen louter uitwendige vorm is, maar een innerlijke, Godgerichte ervaring, wat voor ervaring drukt dan uit hoe groot en glorierijk God is? Om die vraag te beantwoorden, gaan we naar Filippenzen 1:20-21. Merk in vers 20 op wat Paulus’ levensopdracht is. Hij zegt: “mijn vurig verlangen en hopen is dat ik in geen enkel opzicht beschaamd zal staan, maar dat met alle vrijmoedigheid, zoals steeds, ook nú Christus zal worden grootgemaakt in mijn lichaam, hetzij door mijn leven, hetzij door mijn dood”. Het sleutelwoord: ‘grootgemaakt’ – bewezen dat Hij groot en glorierijk is. Paulus drukt hier dus zijn vurige hoop en hartstocht uit, dat wat hij ook doet met zijn lichaam, hetzij in leven of dood, altijd aanbidding zal zijn. In leven en dood is zijn zending Christus groot te maken – te laten zien dat Christus schitterend is, Christus te verhogen en te tonen dat Hij geweldig is. Dat blijkt duidelijk uit vers 20: “dat Christus zal worden grootgemaakt in mijn lichaam, hetzij door mijn leven, hetzij door mijn dood.”
Christus verheerlijken door leven en dood
Dan stelt zich de vraag: Vertelt Paulus ons welk soort van innerlijke ervaring Christus op deze manier verhoogt? Ontsluiert hij het wezen van aanbidding? Het antwoord is dat hij dat inderdaad doet, en wel in het volgende vers (vers 21), door de wijze waarop dit verbonden is met vers 20.
Let op de verwijzing naar ‘leven’ en ‘dood’ in vers 20: “dat Christus zal worden grootgemaakt in mijn lichaam, hetzij door mijn leven, hetzij door mijn dood”. Let ookn op de band met de corresponderende woorden ‘leven’ en ’sterven’ in het volgende vers (21): “Want het leven is mij Christus en het sterven gewin.” ‘Leven’ en ‘dood’ in vers 20 zijn verbonden met ‘leven’ en ’sterven’ in vers 21. De verbinding tussen beide verzen ligt hierin dat vers 21 de basis aangeeft van hoe leven en sterven Christus kunnen verheerlijken of grootmaken. Vers 21 begint met ‘want’ of ‘omdat’. Mijn verlangen en hopen is dat Christus zal worden grootgemaakt, hetzij door mijn leven, hetzij door mijn dood, want (omdat) het leven is Christus en het sterven is winst. Vers 21 omschrijft de innerlijke ervaring die Christus verhoogt en dat is het wezen van aanbidding.
Om dit te begrijpen, nemen we elk paar woorden afzonderlijk, te beginnen bij ‘dood’ in vers 20 en ’sterven’ in vers 21. Als we beide samenvoegen, lezen we: Mijn verlangen en hopen is dat Christus grootgemaakt zal worden in mijn lichaam door de dood, want voor mij is het sterven winst. Christus zal verheerlijkt worden in mijn sterven, als dat voor mij winst betekent. Ziet u het? De innerlijke ervaring die Christus in het sterven groot maakt is, de dood als winst te ervaren.
Hoe zo dan? Vers 23 laat zien waarom het sterven voor Paulus (en voor u als u een christen bent) winst is: “Ik verlang heen te gaan (m.a.w. te sterven) en met Christus te zijn, want dat is verreweg het beste.” Dat is wat de dood doet: hij brengt ons dichter in de nabijheid van Christus. We gaan heen en zijn ‘met Christus’; dat is in de woorden van Paulus winst. En als je de dood zo ervaart, zegt Paulus nog, verhoog je Christus. Wie Christus in het sterven als winst ervaart, maakt Hem groot. Dat is het wezen van aanbidding in het uur van de dood.
Christus koesteren als winst
Dat betekent dan weer dat we kunnen zeggen dat het diepste wezen van aanbidding is, Christus als winst te achten. Dat is zonder twijfel groter winst dan alles wat het leven bieden kan – familie, carrière, pensioen, roem, voedsel, vrienden. Het wezen van aanbidding is Christus als winst ervaren. Of om het te zeggen met woorden die we hier gebruiken: van Christus genieten, Hem als een schat beschouwen, vol zijn van Christus. Dit is het diepste wezen van aanbidding. Want volgens Paulus is Christus als winst ervaren in onze dood de wijze waarop Hij ook verhoogd w
ordt in het sterven.
De slogan: “God wordt het meest verheerlijkt in ons als wij het meest verzadigd zijn in Hem”, heb ik uit dit gedeelte gehaald. Christus wordt grootgemaakt in mijn dood, wanneer ik in het sterven vol ben van Hem – als ik de dood ervaar als winst, omdat ik Hem zal winnen. Of anders gezegd, Christus werkelijk prijzen is Hem hoog op prijs te stellen. Christus zal geprezen zijn in mijn sterven, als Hij in mijn dood hoger geprijsd staat dan het leven. Het diepste wezen van aanbidding is Christus naar waarde te schatten, op prijs te stellen, te koesteren, te achten, vol te zijn van Hem, verzadigd te zijn in Hem.
Richten we ons nu ter bevestiging op het andere paar woorden. Vers 20: “Mijn verlangen is dat Christus grootgemaakt zal worden in mijn leven” en vers 21: “Want het leven is mij Christus.” De reden dat Christus in Paulus’ leven wordt verhoogd, aanbeden, is dat voor hem “het leven Christus is.”
Wat betekent dat?
De alles overtreffende waarde van het kennen van Christus als Heer (Filippenzen 3:8) geeft het antwoord. Daar zegt Paulus: “Ik acht zelfs alles schade, omdat de kennis van Christus Jezus, mijn Here, dat alles te boven gaat. Om zijnentwil heb ik dit alles prijsgegeven en houd het voor vuilnis, opdat ik Christus moge winnen.”
“Leven is Christus” betekent: in dit leven alles als schade te achten in vergelijking met de waarde die ligt in het winnen van Christus. Zie je hoe het woord “winnen” weer opduikt in 3:8, net als in 1:21 (winst)? “Leven is Christus” betekent Hem ook nu als winst te ervaren, niet enkel in de dood.
Wat Paulus hier wil benadrukken is dat leven en dood voor een christen tekenen zijn van aanbidding. Leven en dood verhogen Christus, maken Hem groot, drukken openlijk Zijn grootheid uit – als ze voortvloeien uit een innerlijke ervaring Christus als winst te beschouwen. Christus wordt geprezen in de dood wanneer Hij hoger dan het leven geprijsd wordt. En Christus wordt het meest verheerlijkt in het leven als wij ten volle verzadigd zijn in Hem, zelfs voordat we sterven. Het waarmerk, het diepste wezen van aanbidding is verzadigd te zijn van Christus, Hem naar waarde te schatten, Hem te koesteren en lief te hebben. Als we zeggen dat we God najagen op zondagmorgen, bedoelen we dit: we jagen verzadiging in God na, we jagen God na als onze ereprijs, als onze schat, ons zielevoedsel, onze hartelust, ons geestesgenoegen. Want we weten uit Filippenzen 1:20-21 dat wie Christus winst acht, Hem groot maakt, Hem verhoogt, Hem eert.
Gevolgen voor aanbidding
1. Het streven naar blijdschap in God is niet vrijblijvend.
Het is onze voornaamste plicht. Er zijn miljoenen christenen die een populaire ethiek hebben meegekregen, die zegt dat het moreel verkeerd is te zoeken naar blijdschap, zelfs in God. Dit is absoluut dodelijk voor oprechte aanbidding. In de mate waarin deze ethiek bloeit, in die mate verwelkt de aanbidding. Want het diepste wezen van aanbidding is voldoening in God, God ervaren als winst.
Daarom zeg ik dat de basishouding bij aanbidding op de zondagmorgen er een is van komen, niet met volle handen om God iets te geven, maar met lege handen om iets van God te ontvangen. En wat je in aanbidding ontvangt, is God, geen amusement. Je zou moeten komen met honger naar God, komen en zeggen: “Gelijk een hinde die naar waterbeken smacht, zo smacht mijn ziel naar U, o God.” (Psalm 42:1) God wordt geweldig geëerd als een volk weet dat het zonder Hem zal sterven van honger en dorst. Indien we de rechtmatigheid en de absolute noodzaak hervinden van het streven naar verzadiging in God, zijn we al een heel eind op weg om de echtheid en de kracht van aanbidding te herstellen.
2. Als we zeggen dat het wezen van aanbidding voldoening in God is, heeft dat nog een ander gevolg: aanbidding stelt God radicaal in het middelpunt.
Er is niets dat God zo’n hoge en centrale plaats geeft dan een volk dat rotsvast overtuigd is dat niets – geen geld of prestige, noch vrije tijd, noch familie, werk, gezondheid, sport, speelgoed of vrienden – dat niets z’n smachtend hart bevrediging kan schenken buiten God. Deze overtuiging brengt een volk voort dat God op de zondagmorgen najaagt. De vraag naar het waarom van de samenkomsten houdt hen niet bezig. Voor hen zijn liederen, gebeden en preken niet louter een traditie of verplichting, maar mogelijkheden om tot God te gaan, of mogelijkheden voor God om tot hen te komen met meer van Zijn volheid. Daar verlangen ze naar, want God is winst.
Keer op keer heb ik gezien dat, als onze aandacht gericht is op het geven aan God, niet God in het middelpunt blijft, maar dat Hij geleidelijk aan plaats moet maken voor de kwaliteit van onze gave. Zingen we Zijn naam waardig? Spelen de muzikanten goed genoeg om de Here aangenaam te zijn? Is de prediking een passend offer aan de Here? En langzamerhand schuift de focus weg van de absolute noodzaak van de Here zelf naar de kwaliteit van onze prestaties. We gaan de kwaliteit en kracht in de aanbidding zelfs bepalen in termen van technisch kunnen in ons artistiek handelen. Er is niets dat God zo in het middelpunt van de aanbidding blijft stellen als het bijbelse geloof dat het wezen van aanbidding een intense, diep doorvoelde voldoening in Hem is, en de overtuiging dat het nastreven van deze voldoening de reden is dat we samen zijn.
3. Als we zeggen dat het wezen van aanbidding voldoening in God is, heeft dat nog een derde consequentie, nl. dat de voorrang van aanbidding als doel op zich, gevrijwaard blijft.
Als het wezen van aanbidding voldoening in God is, kan oprechte aanbidding niet gebruikt worden als middel om een ander doel te bereiken. Je kunt niet zomaar tegen God zeggen: ik wil verzadigd zijn in U opdat ik iets anders kan verkrijgen. Want dit zou betekenen dat je niet echt verzadigd bent in God, maar in dat andere dat je wilt ontvangen. En dat zou God ontwijden, niet eren.
Duizenden kerkgangers en predikanten beschouwen echter het evenement ‘aanbidding’ op zondagmorgen feitelijk als middel om iets anders te bereiken dan het aanbidden van God. We ‘aanbidden’ om geld in te zamelen; we ‘aanbidden’ om grote massa’s aan te trekken; we ‘aanbidden’ om menselijke pijn te genezen; we ‘aanbidden’ om werkers te rekruteren; we ‘aanbidden’ om de gemeentetucht te verbeteren. We ‘aanbidden’ om talentvolle muzikanten een kans te geven hun roeping te vervullen; we ‘aanbidden’ om onze kinderen de weg der gerechtigheid te leren; we ‘aanbidden’ om gezinnen te helpen samen te blijven; we ‘aanbidden’ om aan de verlorenen onder ons het Evangelie te verkondigen; we ‘aanbidden’ om mensen te motiveren voor hulpprojecten; we ‘aanbidden’ om onze kerken een familiegevoel te geven, enz., enz.
Hiermee bewijzen we dat we niet weten wat echte aanbidding is. Eerlijke gevoelens van affectie voor God zijn een doel op zich. Ik kan tegen mijn vrouw niet zeggen: “Ik ben zo ongelooflijk blij met je, want nu ga je een lekkere maaltijd voor me klaarmaken.” Blij zijn met je vrouw werkt zo niet. Zij is het einddoel van die blijdschap; die heeft geen lekkere maaltijd op het oog. Ik kan aan m’n zoon toch niet zeggen: “Ik vind het leuk om met je te voetballen – en dus ga jij het gras afmaaien.” Als je hart er werkelijk plezier in schept met hem te voetballen, kan dat plezier niet gebruikt worden als middel om hem wat anders te laten doen.
Nu wil ik niet ontkennen dat oprechte aanbidding honderden goede gevolgen oplevert voor het gemeenteleven. Ze zal alles beter maken, net zoals oprechte toewijding dat doet in een huwelijk. Wat ik bedoel is dit: in de mate waarin we ‘aanbidden’ om deze redenen, in die mate houdt aanbidding op echt te zijn. Als we de voldoening in God centraal blijven stellen, worden we voor dit drama behoed.
4. Ten slotte: zeggen dat het wezen van aanbidding betekent verzadigd te zijn met God heeft nog een laatste consequentie. Het verklaart waarom Paulus in Romeinen 12:1 het ganse leven tot een uiting van aanbidding
maakt. Maar dat is iets voor een volgende gelegenheid.
Deze vertaling heb ik overgenomen van wiki-translations, waar meerdere preken van John Piper online in het Nederlands (dutch) zijn verschenen…
Het goede nieuws van het evangelie…
sep 20th
Evangelie is een woord dat we vandaag niet meer kennen. Het is een woord dat in de Bijbel gebruikt wordt en gerelateerd is aan het Grieks. Je zou evangelie het beste kunnen vertalen in ‘goed nieuws’. Met deze uitroep kwamen Romeinse boodschappers het nieuws aankondigen van een nieuwe Caesar. In de Bijbel wordt deze term gebruikt om de boodschap van Gods goede nieuws aan te kondigen. Maar wat is eigenlijk ‘goed nieuws’? Een loterij winnen is goed nieuws, een nieuwe baan, een hoger salaris, het behalen van een examen… allemaal voorbeelden van goed nieuws. Maar wat is het goede nieuws dat in de Bijbel wordt omschreven?
In de wereld van het evangelie – men noemt het ook wel het Koninkrijk van God – gaan alle dingen net een beetje anders dan wat we gewend zijn. Daarom is de definitie van het evangelie niet in één zin te vangen. Daarom wil ik hier een aantal dingen op een rijtje zetten die helpen om het goede nieuws te begrijpen. Ik heb gekozen om dat te doen in zeven punten:
# 1 / Schepping
God heeft alle zichtbare en onzichtbare dingen gemaakt. Er is niets dat niet onder zijn gezag valt. In feite is God de Koning van alle dingen.
# 2 / De mens
Mensen zijn door God gemaakt om God te weerspiegelen op deze aarde. Dieren, planten en planeten zijn prachtig, maar er is niets dat kan tippen aan het wezen van de mens. Mensen zijn gemaakt om van de schepping te genieten en over haar te regeren vanuit verbondenheid met God de Schepper.
#3 / Zonde en scheiding
De zonde betrad deze wereld door een daad van ongehoorzaamheid aan God. De mens liet zich door een duistere macht verleiden tot deze ongehoorzaamheid. Door niet te luisteren naar God liet het schepsel de liefde van de Schepper onbeantwoord. Dit bracht scheiding tussen God en mens, deze scheiding is de bron van alle haat, pijn, ziekte en dood in deze wereld. De mens ontkoppelde zich op eigen houtje van de bron van alle leven. Ook gaf de mensheid haar gezag over de schepping weg aan de duisternis (Satan).
#4 / Belofte van herstel
Vanaf het allereerste begin van deze scheiding heeft God gezocht naar herstel. Hij beloofde de definitieve vernietiging van de duisternis en een herstel van het volle en oneindige leven zoals dat was in het begin. Het herstel van de mensheid is altijd onderdeel geweest van deze belofte van herstel.
#5 / Vervulling van de belofte
In Jezus Christus – Gods Zoon die mens werd en naar deze aarde kwam – heeft God zijn belofte vervuld. Aan het kruis heeft Jezus alle zonde op zich genomen en alle duistere machten verslagen. Het offer van het kruis was voldoende om de straf van God die rustte op de mensheid die de scheiding veroorzaakt had. Jezus stierf als een substituut voor de mensheid. Zo werd de scheiding tussen God en mens in Jezus opgeheven.
# 6 / Nieuw leven beschikbaar
Door Jezus’ opstanding uit de dood is dit herstel beschikbaar gekomen voor ieder die daar naar op zoek is. Door de Geest van Jezus in de harten van de gelovigen te sturen heeft God het mogelijk gemaakt dat zonde en dood niet langer hoeven te regeren over onze sterfelijke lichamen. Ook mag iedere gelovige in de naam van Jezus opnieuw gezag uitoefenen over de schepping. Deze hernieuwde gezagspositie heeft uitwerking op de manier waarop een christen omgaat met ziekte, sociale verschillen, dood, milieu, haat en duisternis. Het nieuwe leven is een leven dat voortvloeit uit intimiteit met God en doorgang vindt in relaties en maatschappij.
# 7 / De terugkeer van de Koning
Door de overwinning van Jezus aan het kruis heeft Hij laten zien dat Hij nog steeds de rechtmatige eigenaar is van alles dat geschapen is. Op een dag zal Jezus Christus terugkomen naar deze aarde met macht en gezag. Ieder die bij Hem hoort zal Hij met zich meenemen en alles dat geschapen is – van melkweg tot pantoffeldiertje – zal hersteld worden. De Koning zal zijn liefdevolle macht uitvoeren en recht brengen op een wereld van onrecht. Al Gods kinderen zullen met Hem regeren.
Het ‘goede nieuws’ van het evangelie start met Gods belofte van herstel en zal zijn volle potentie bereiken op het moment dat #7 realiteit wordt. Op dit moment leven we in het centrum van dit goede nieuws. Het Koninkrijk van God is gekomen – er wordt herstel gebracht in de naam van Jezus – maar is nog niet ten volle gevestigd. Nog steeds is er sprake van ziekte, duisternis en onrecht. Pas wanneer de hele schepping vernieuwd is zal hier een definitief einde aan komen.
God heeft er voor gekozen om zichzelf bekend te maken door Jezus Christus. Wanneer je Jezus leert kennen, leer je God zelf kennen en komt Hij bij je wonen. Dat kennen van God noemt de Bijbel ‘eeuwig leven’ – een leven van volheid dat nooit meer eindigt en alleen nog wacht op het moment dat niets dat leven meer tegen houdt. Door je aan Jezus te verbinden mag je er opnieuw zeker van zijn dat je aan de bron van het leven bent verbonden. Lig je nog in scheiding met God, dan is het zaak zijn aanbod van verzoening en liefde te aanvaarden. Voor hen die geen eeuwig leven hebben ontvangen uit de handen van God wacht een eeuwige dood. Deze dood is de volheid van de duisternis – een intensieve en definitieve verwijdering van God. Deze dood is de straf Jezus al gedragen heeft aan het kruis.
Het is aan jou om het goede nieuws te aanvaarden. Ben je bereid om de wanhoop van je eigen leven te erkennen en het leven van Jezus te aanvaarden? Zo wordt de scheiding tussen jou en God opgeheven en stroomt er opnieuw diepe liefde in je wezen binnen. Die liefde zal je leven veranderen van binnen uit. Als gevolg daarvan wordt je in staat gesteld om te leven zoals Jezus dat heeft gedaan: liefdevol, vol van vreugde en vrede, geduldig, vervuld met vriendelijkheid en goedheid, geloof, zachtmoedigheid en zelfbeheersing. Daar kan niemand iets tegen hebben toch?
Als het goede nieuws van Jezus iets in je losmaakt dat je niet herkend en je wilt graag meer weten over het leven van/met God, dan raad ik je aan om contact met mij op te nemen of de cursus Waarom Jezus te volgen op internet. Je kunt ook eens kijken of er ergens bij je in de buurt een Alpha Cursus wordt gegeven waar je je vragen kwijt kan.
Mijn hoogste geluk
jul 6th
Een stil gebed van David.
Behoed mij, God, ik schuil bij U.
(Psalm 16:1)
Eerst is er de roep om hulp – behoud mij, God – van een hulpeloos kind. En direct daarop volgt een daad van geloof – ik schuil bij U. Dat is de manier waarop David leeft met God. Een vraag of een noodkreet vol van angst en tegelijkertijd een diep vertrouwen in de kracht en het karakter van God. Hij is een toren waarin geschuild kan worden. Hij is de herder die wil hoeden.
Wanneer we leren om op dezelfde manier met God te leven, worden we echt voor Hem. We hoeven onszelf niet beter voor te doen dan we zijn. Maar een angstig leven met God waarin vertrouwen geen plek krijgt is niet nodig. Hij is degene die zegt: ‘Ik ben die Ik ben…’ En Hij verlangt er naar dat wij een beroep op Hem doen. De Vader geniet er van wanneer zijn kinderen zichzelf aan Hem laten zien in al hun gebrek. Zo heeft Hij ons geschapen: afhankelijk van zijn kracht, wijsheid, genade en liefde.
‘God van de hoop, naar U wil ik verlangen.
Naar U gaat mijn liefde uit. Van U wil ik ontvangen.
U bent God en ik ben een afhankelijk mens. U bent Schepper
en ik ben het schepsel van Uw handen. Wees mijn Heer.
Behoed mij, God, ik schuil bij U.’
Kenmerken van geestelijke leiderschap
jun 23rd
[Dit artikel is niet van mijzelf, maar heb ik rechtstreeks overgenomen van Gospel Translations]
Ik omschrijf geestelijk leiderschap als weten waar God wil dat mensen zich bevinden en het initiatief nemen om ze daar te brengen met behulp van Gods methodes en vertrouwend op Gods kracht. Het antwoord op de vraag waar God wil dat mensen zich bevinden, is in geestelijke welstand en een levenswandel die Zijn heerlijkheid toont en Zijn naam eert. Daarom is het doel van geestelijk leiderschap dat mensen God leren kennen en Hem eren in alles wat ze doen. Geestelijk leiderschap beoogt niet zozeer mensen te sturen, maar mensen te veranderen. Als we het soort leiders willen zijn die we behoren te zijn, moeten we ons tot doel stellen personen verder te ontwikkelen veeleer dan plannen te dicteren. Je kunt mensen laten doen wat je wilt, maar als ze in hun hart niet veranderen, heb je ze niet geestelijk geleid. Je hebt ze niet meegenomen naar de plaats waar God ze hebben wil.
Iedereen heeft in één of ander verband wel de verantwoordelijkheid van een leider. Maar mijn belangstelling gaat in dit artikel naar de kenmerken die iemand moet bezitten om een geestelijk leider te zijn die zowel in de kwaliteit van zijn leiding uitblinkt, als in het aantal mensen dat hem volgt. Bijbels geestelijk leiderschap behelst een binnencirkel en een buitencirkel. de binnencirkel van geestelijk leiderschap is die keten van dingen die in de menselijke ziel moeten plaatsvinden, wil iemand de eerste beginselen van geestelijk leiderschap bereiken. Dit zijn de absolute minimum vereisten, dingen die elke christen in mindere of meerdere mate moet kunnen verwerven. En als ze voor iemand tot een passie geworden zijn, een diepe overtuiging, zullen ze hem ook dikwijls brengen tot krachtig leiderschap. In de buitencirkel treffen we kwaliteiten aan die zowel geestelijke als niet-geestelijke leiders kenmerken. Wat ik in dit artikel zou willen doen, is trachten deze kwaliteiten van de binnen- en buitencirkel eenvoudig uit te leggen en te illustreren.
de Binnencirkel van Geestelijk Leiderschap
1. DAT ANDEREN GOD GAAN EREN
Het uiteindelijk doel van elk geestelijk leiderschap is dat andere mensen mogen leren God te eren, d.w.z. dat ze zo gaan voelen, denken en handelen, dat ze het ware karakter van God grootmaken. Volgens Mattheüs 5:14-16 is één van de voornaamste mogelijkheden van een christen leider om anderen ertoe te brengen God te eren, iemand te zijn die vriend en vijand liefheeft. “Gij zijt het licht der wereld. Een stad die op een berg ligt, kan niet verborgen blijven. Ook steekt men geen lamp aan en zet haar onder de korenmaat, maar op de standaard, en zij schijnt voor allen die in het huis zijn. Laat zo uw licht schijnen voor de mensen, opdat zij uw goede werken zien en uw vader, die in de hemelen is, verheerlijken.” Deze tekst laat zien dat er een zô typische instelling en levenshouding bestaat dat, als ze op het strijdtoneel van de gevallen mensheid zichtbaar wordt, ze een geldig bewijs levert dat er een God bestaat en dat Hij een unieke, betrouwbare hemelse Vader is. Als de realiteit van Gods beloften om voor ons te zorgen en alles voor ons te laten meewerken ten goede, ons hart zo aangrijpt dat we niet langer overgeleverd zijn aan hebzucht of angst of ijdelheid, maar integendeel voor andere mensen blijk geven van tevredenheid, liefde en vrijheid, dan zal de wereld moeten erkennen dat degene die ons hoop en vrijheid geeft, écht moet zijn, en schitterend bovendien.
2. VRIEND EN VIJAND LIEFHEBBEN DOOR TE VERTROUWEN OP GOD EN TE HOPEN OP ZIJN BELOFTEN
Maar hoe krijgen wij nu een liefde die sterk genoeg is om z’n vijanden te zegenen en voor hen te bidden? Het antwoord dat de Schrift geeft (en dit is het derde niveau in de binnencirkel) is, dat vertrouwen op God en hoop op Zijn beloften leiden tot liefde. Galaten 5:6 zegt: “Want in Christus Jezus vermag noch besnijdenis iets, noch onbesneden zijn, maar geloof, door liefde werkende.” D.w.z. als we een sterk geloof hebben in Gods goedheid, zal dat geloof zichzelf onvermijdelijk uitwerken in liefde. Colossenzen 1:4-5 zegt:
“Wij hebben gehoord van uw geloof in Christus Jezus en van de liefde die gij al de heiligen toedraagt, om de hoop die voor u is weggelegd in de hemelen.” Met andere woorden, als onze hoop sterk is, worden we bevrijd van angsten en zorgen die ons verhinderen om vrijwillig lief te hebben. Daarom moet een geestelijk leider iemand zijn die een sterk vertrouwen heeft in Gods soevereine goedheid die alles voor hem doet meewerken ten goede. Anders loopt hij onvermijdelijk in de val waardoor hij omstandigheden gaat manipuleren en mensen uitbuiten om voor zichzelf een gelukkige toekomst te verzekeren, waarvan hij niet zeker is dat God die zal voorzien.
3. MEDITEREN OVER EN BIDDEN BIJ ZIJN WOORD
Maar hoe zullen wij, zondaars, erin slagen om zulk vertrouwen in God te krijgen? Romeinen 10:17 zegt: “Zo is dan het geloof uit het horen en het horen door het Woord van Christus.” En Psalm 119:18 luidt:
“Open mijn ogen, opdat ik aanschouw de wonderen uit Uw wet.” Deze twee teksten samen tonen ons dat geloof in God geworteld is in Gods Woord. Als we Gods Woord horen, voornamelijk de prediking van Christus in wie alle beloften van God ja en amen zijn, worden we aangespoord om Hem te vertrouwen, maar dit gebeurt niet automatisch. We moeten bidden dat onze ogen geopend worden voor de ware betekenis van het Woord van God in de Schrift. Dus moet de geestelijke leider iemand zijn die mediteert over het Woord van God en bidt om geestelijke verlichting. Anders verzwakt zijn geloof, zijn liefde gaat wegkwijnen en niemand zal aangespoord worden om God te eren dankzij hem.
4. ERKEN JE HULPELOOSHEID
Tenslotte moeten we ons afvragen hoe iemand ertoe komt om tijd te willen maken en open te staan voor het Woord van God? Het antwoord lijkt te zijn, dat wij onze hulpeloosheid moeten erkennen. Het ware geestelijke leiderschap heeft z’n wortels in de ontreddering. Jezus prees de man die zei: “O God, wees mij, zondaar, genadig.” Jezus zei over Zijn eigen zending: “Zij die gezond zijn, hebben geen geneesheer nodig, maar zij die ziek zijn; Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar de zondaars.” Dit betekent dat het begin van geestelijk leiderschap moet liggen in de erkenning dat wij die zieken zijn die een dokter nodig hebben. Als we eens tot dat punt afgedaald zijn, dan kunnen we open staan om het voorschrift van de dokter te lezen in het Woord. En naarmate we lezen over de wonderlijke beloften die daarin staan voor degenen die de dokter vertrouwen, wordt ons geloof sterker en onze hoop vaster. Als ons geloof dan sterk, en onze hoop vast is, zullen alle barrières om lief te hebben, zoals hebzucht en angst, worden weggevaagd. Als wij mensen worden die ons leven in de waagschaal durven stellen, zelfs voor onze vijanden, mensen die niet haatdragend zijn en die onze krachten besteden om de anderen goed te doen in plaats van onze eigen verheerlijking te zoeken, dan zullen de mensen dat opmerken en de eer geven aan onze Vader in de hemel.
Het gevolg van deze binnencirkel van leiderschap is dat je om leiding te kunnen geven, ook voor je mensen zult moeten uitgaan in bijbelstudie en gebed. Ik denk dat er geen succesvol geestelijk leiderschap zal zijn zonder langdurige periodes van gebed en meditatie over de Schrift. Geestelijke leiders dienen vroeg op te staan om God te ontmoeten, eer ze ook maar iemand anders zien. Mogelijk houden ze wel een dagboek bij van inzichten en gedachten bij het lezen van het Woord en bij het bidden. Ze moeten boeken willen lezen over de Bijbel (bijv. boeken van J.I. Packer, Paul Little, John Stott en tientallen andere uitstekende evangelicale schrijvers) en over gebed (bijv. de acht boeken van E.M. Bounds). Ze zullen af en toe een halve dag retraite moeten houden met een Bijbel, een notitieboekje en een liederenbundel. Wil je groot worden als leider van mensen, zul je ze soms moeten achterlaten om met God alleen te zijn.
HET VOORBEELD VAN HUDSON TAYLOR
In ‘Het Geestelijk geheim van Hudson Taylor’ (pag. 234 e.v.) beschrijft Dr. Howard Taylor een van de ervaringen uit zijn rijzen door China met zijn vader Hudson Taylor. Hij schrijft:
Het was voor Mr. Taylor niet gemakkelijk om tijd te maken voor gebed en bijbelstudie in zijn erg veranderlijk leven, maar hij wist dat dit noodzakelijk was. De schrijvers herinneren zich maar al te goed hoe ze maand na maand met hem in noord-China rondtrokken met kar en kruiwagen, en overnachtingen in de armoedigste herbergen. Er was vaak maar één grote kamer voor koelies en reizigers samen; toch schermden ze met gordijnen van allerhande stoffen een hoek af voor hun vader en één voor hen zelf. Als dan de slaap uiteindelijk enige rust had gebracht, hoorden ze een lucifer aanstrijken en speurden ze naar het flikkerende kaarslicht dat Mr. Taylor, hoe moe hij ook was, liet schijnen over de kleine tweedelige Bijbel die ze altijd bij zich hadden. Van twee tot vier uur ’s morgens was de tijd die hij gewoonlijk doorbracht in het gebed, een tijd waarvan hij zeker was dat hij God ongestoord kon dienen. Dat flikkerende kaarslicht heeft meer voor hen betekend dan alles wat ze ooit gelezen of gehoord hebben over stil gebed; het was echt, geen preek maar praktijk.
Het moeilijkste in een zendingsloopbaan, aldus Mr. Taylor, is het onderhouden van geregelde, door gebed ondersteunde bijbelstudie. “Satan vindt altijd wel iets om te doen,” zei hij, “als je dààrmee bezig hoort te zijn, al was het alleen maar het ophangen van een rolgordijn.”
HET VOORBEELD VAN GEORGE MUELLER
George Mueller staat bekend om zijn groot geloof bij het werk in zijn weeshuizen. Zijn autobiografie bevat een gedeelte met als titel: “Hoe voortdurend blij te zijn in de Here.” Hij klaagt hoe hij jarenlang getracht had ’s morgens vroeg te besteden aan het gebed, en hoe zijn gedachten daarbij telkens weer afdwaalden. Toen deed hij een ontdekking. Hij noteert dit als volgt:
Eigenlijk is het zo: Ik zag veel duidelijker dan tevoren in dat het eerste en allervoornaamste waarop ik me elke dag moest richten was, hoe mijn ziel blij kon worden in de Here. Mijn hoofdbekommernis moest niet zijn hoe goed ik de Here kon dienen, hoe ik de Here kon verheerlijken, maar hoe ik mijn ziel in een toestand van blijdschap kon brengen en hoe mijn inwendige mens gevoed kon worden… Vôôr die tijd was het minstens tien jaar lang mijn dagelijkse gewoonte geweest om me ’s morgens na het aankleden aan het gebed te wijden. Nu zag ik in dat het belangrijkste wat ik moest doen was, me te wijden aan het lezen van en het mediteren over Gods Woord. Daardoor kon mijn hart getroost, bemoedigd, gewaarschuwd, vermaand en onderwezen worden. Al mediterend zou mijn hart tot een diep doorvoelde gemeenschap met de Here gebracht worden. Dus startte ik vroeg in de morgen met meditaties over het Nieuwe Testament, te beginnen bij het begin. Het eerste wat ik ging doen, nadat ik in enkele woorden gebeden had om Gods zegen op Zijn dierbaar Woord, was gewoon beginnen met het Woord te overdenken. Ik ging elk vers als het ware doorzoeken om er een zegen uit te ontvangen. Mijn doel was niet de openbare bediening van het Woord, niet het preken uit hetgeen waarover ik had gemediteerd, maar voedsel voor mijn ziel te verkrijgen. Ik ontdekte dat dit haast altijd tot gevolg had dat mijn ziel al na een paar minuten tot belijdenis kwam, tot dankzegging, voorbede of smeking. Hoewel ik dus niet bewust ging bidden, maar mediteren, kwam ik toch haast onmiddellijk min of meer tot gebed. Als ik dan enige tijd had doorgebracht met belijden of voorbede doen, smeking of dankzegging, ging ik verder met de volgende woorden of het volgende vers. Weer kwam ik gaandeweg tot gebed voor mezelf of anderen, al naargelang het Woord me leidde. Toch hield ik het voedsel voor mijn ziel onafgebroken voor me als meditatiepunt. Het resultaat van dit alles was, dat met mijn meditatie altijd een flink deel aan belijdenis, dankzegging, smeking of voorbede gemengd werd, dat mijn inwendige mens steevast en haast tastbaar werd gevoed en gesterkt. Tegen het uur van het ontbijt was ik dan ook bijna altijd in een vredige, zo niet blijde stemming. Nu God me dit geleerd heeft, is het voor mij zonneklaar dat het eerste dat een kind van God elke morgen moet doen is, voedsel ontvangen voor de inwendige mens. Net zoals de uitwendige mens niet lang kan werken tenzij hij zich voedt en aangezien dat ook een van de eerste dingen is die we ’s morgens doen, zou dat ook moeten gelden voor de inwendige mens. Iedereen heeft toch voeding nodig, nietwaar? Wat is nu het voedsel voor de inwendige mens? Niet het gebed, maar het Woord van God, d.w.z. niet zomaar het lezen van Gods Woord, zodat het alleen maar door onze gedachten stroomt als water door een buis, maar zich concentreren op hetgeen we lezen, er diep over nadenken en het ter harte nemen. Door Gods genade heb ik aan deze werkwijze de hulp en de kracht te danken die ik heb ontvangen om in de vrede door diepere beproevingen van allerlei aard heen te komen dan ooit tevoren; en nu ik gedurende meer dan veertig jaar getracht heb op deze manier te werken, kan ik haar in de vreze Gods ten volle aanbevelen. Wat een verschil maakt het, of de ziel ’s morgens vroeg reeds verkwikt en blij gestemd wordt, of dat de dienst, de beproevingen en verleidingen van de dag op je pad komen zonder dat je geestelijk bent voorbereid!
Het lezen van een brief die George Mueller in 1897 schreef aan het Britse en Buitenlandse Bijbelgenootschap, zou voor ieder van ons een aansporing moeten zijn om te blijven volharden in de meditatie over Gods Woord. in deze brief verontschuldigt hij zich voor het niet bijwonen van een vergadering te Burmingham. Hij schrijft: “Weest u zo goed de vergadering dit voor te lezen, dat ik gedurende 68 jaar en 3 maanden, d.i. sedert juli 1929, zonder onderbreking een bewonderaar ben geweest van het Woord van God. Al die tijd heb ik meer dan honderdmaal aandachtig doorheen het hele Oude en Nieuwe Testament gelezen met gebed en meditatie.” Als we krachtige geestelijke leiders willen worden, moeten we wandelen zoals ook Hudson Taylor en George Mueller gewandeld hebben.
DE BUITENCIRKEL VAN GEESTELIJK LEIDERSCHAP
Iedereen in de gemeente heeft één of meer geestelijke gaven. Iedereen zou in de dienst betrokken moeten worden. Iedereen zou ernaar moeten streven anderen zover te brengen dat ze eer gaan brengen aan God door hun manier van denken, voelen en handelen. Toch zijn er ook enkele mensen aan wie de Here persoonlijke kwaliteiten heeft gegeven, waardoor ze betere leiders worden dan anderen. Niet al deze kwaliteiten zijn typisch christelijk, maar wanneer de Heilige Geest iemands leven vervult, wordt elk van deze kwaliteiten benut en gevormd ten dienste van Gods plannen.
1. RUSTELOOS
Geestelijke leiders hebben een heilige onvrede met het status quo. Niet-leiders hebben een traagheid die maakt dat ze vastzitten op een dood punt en daarvan maar moeilijk los te maken zijn. Leiders hebben een drang om te veranderen, te bewegen, hun gezichtsveld te verbreden, te groeien en een groep of organisatie op te tillen naar nieuwe dimensies van dienen. Ze hebben de geest van Paulus, die in Filippenzen 3:13 zei: “Broeders, ik voor mij acht niet dat ik het reeds gegrepen heb, maar één ding (doe ik): vergetende hetgeen achter mij ligt en mij uitstrekkende naar hetgeen vôôr mij ligt, jaag ik naar het doel, om de prijs der roeping Gods, die van boven is, in Christus Jezus.”
Leiders zijn altijd erg doelgerichte mensen. Gods heilsgeschiedenis is niet af. De gemeente is doortrokken van onvolkomenheid, verloren schapen zijn nog altijd niet in de schaapskooi, allerlei noden in de wereld worden niet gelenigd, zonde besmet de heiligen. Het is ondenkbaar dat we tevreden zouden zijn met de manier waarop alles reilt en zeilt in een gevallen wereld en een onvolmaakte gemeente. Daarom heeft het God behaagd enkele van Zijn mensen een heilige rusteloosheid te geven; deze mensen zullen zeer waarschijnlijk de leiders zijn.
2. OPTIMISTISCH
Geestelijke leiders zijn optimistisch, niet omdat de mens goed is, maar omdat God de leiding heeft. De leider moet z’n onvrede niet laten komen tot verslagenheid. Als hij de onvolkomenheid van de gemeente ziet, moet hij met de schrijver van Hebreeën (6:9) zeggen:
“Maar wat u betreft, geliefden, ook al spreken wij zo, wij zijn overtuigd van iets beters, waaraan uw heil hangt.” Het fundament van zijn leven is Romeinen 8:28: “Wij weten dat God alle dingen doet medewerken ten goede voor hen die God liefhebben, die volgens Zijn voornemen geroepenen zijn.” Hij zegt met Paulus dat: “Hij die zelfs Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar voor ons heeft overgegeven, ons met Hem zeker ook alle dingen zal schenken” (Romeinen 8:32). Zonder dit vertrouwen, gebaseerd op Gods goedheid die zich heeft geopenbaard in Jezus Christus, zou het doorzettingsvermogen van de leider wankelen en mensen zouden niet begeesterd worden. Zonder optimisme vervalt rusteloosheid tot wanhoop.
3. IJVERIG
De grote kwaliteit die ik zoek in mijn medewerkers, is de ijver. Romeinen 12:8 zegt dat, als je gave die van leiderschap is: “doe het dan in ijver.” Romeinen 12:11 zegt: “Weest in ijver onverdroten, vurig van geest!” Als de discipelen zich herinnerden hoe Jezus zich had gedragen met betrekking tot Gods tempel, beschreven ze dat zo, met woorden uit het Oude Testament: “De ijver voor Uw huis heeft Mij verteerd” (Johannes 2:17). De leider volgt de raad van Prediker 9:10: “Al wat uw hand vindt om naar uw vermogen te doen, doe dat.” Toen Jonathan Edwards jong was, schreef hij een lijst van zowat 70 voornemens. Het voornemen dat mij het meest geïnspireerd heeft, luidt ongeveer: “Het leven dat ik heb te leven met al m’n kracht.” Graaf Zinzendorf van de Moraviërs zei: “Ik heb één passie. Dat is Hij en Hij alleen.” Jezus waarschuwt ons in Openbaring 3:16 dat Hij lauwe mensen helemaal niet mag: “Omdat gij lauw zijt en noch koud, noch heet, zal Ik u uit Mijn mond spuwen.” Geestelijke leiders moeten in afzondering gaan en overpeinzen welke onuitsprekelijke en verbazingwekkende dingen ze weten over God. Is hun leven één langgerekte geeuw, dan zijn ze gewoon blind. Leiders moeten getuigen dat de dingen van de Geest levende realiteit zijn. Dat kunnen ze niet, tenzij ze zelf ijverig zijn.
4. ZELFBEHEERSING
Met zelfbeheersing bedoel ik niet een gemaakte, passende en onbewogen houding, maar veeleer dat men meester is van z’n drijfveren. Als het de bedoeling is dat we anderen tot God leiden, kunnen we zelf niet naar de wereld gedreven worden. Volgens Galaten 5:23 is zelfbeheersing een vrucht van de Geest. Het is niet alleen maar wilskracht, maar het aanwenden van Gods kracht om meester te worden over onze emoties en begeerten, die ons kunnen misleiden of waardoor we onze tijd zouden besteden aan inspanningen zonder resultaat. In 1 Corintiërs 6:12 zegt Paulus: “Alle dingen zijn mij geoorloofd, maar ik zal mij door niets laten knechten.” De christen leider moet zijn eigen leven meedogenloos onderzoeken om te zien of hij ook maar in het minst de slaaf is van televisie, alcohol, koffie, golf, computerspelletjes, vissen, Playboy, masturbatie, lekker eten enz. Paulus zei in 1 Corintiërs 9:25-27: “Al wie aan een wedstrijd deelneemt, beheerst zich in alles; zij om een vergankelijke erekrans te verkrijgen, wij om een onvergankelijke. Ik loop dan ook niet zomaar in den blinde en ik ben geen vuistvechter die zomaar in de lucht slaat. Neen, ik tuchtig mijn lichaam en houd het in bedwang, om niet, na anderen gepredikt te hebben, wellicht zelf afgewezen te worden.” En in Galaten 5:24 zegt hij: “Wie Christus Jezus toebehoren, hebben het vlees met zijn hartstochten en begeerten gekruisigd.” Geestelijke leiders sporen slechte gewoonten onvermoeibaar op en kappen ermee door de kracht van de Geest. Ze horen en volgen Romeinen 8:13: “Indien gij naar het vlees leeft, zult gij sterven; maar indien gij door de Geest de werkingen des lichaams doodt, zult gij leven.” Geestelijke leiders wensen vrij te zijn van al wat hun volste vreugde in God en hun dienst aan anderen hindert.
5. DIKHUIDIG
Eén ding is zeker: als je begint anderen te leiden, zul je bekritiseerd worden. Niemand wordt een belangrijk geestelijk leider als hij ernaar streeft anderen te plezieren en hun bijval te zoeken. Paulus zei in Galaten 1:10: “Tracht ik mensen te winnen, of God? Of zoek ik mensen te behagen? Indien ik nog mensen trachtte te behagen, zou ik geen dienstknecht van Christus zijn.” Geestelijke leiders zoeken geen eer van mensen, maar ze willen God behagen. Dr. Carl Lundquist, voormalig Directeur van het ‘Bethel College and Seminary’, zei in zijn laatste rapport aan de Algemene Baptistenconferentie, dat er haast geen jaar voorbijging van de 28 die hij de Conferentie gediend had, dat hij niet door velen actief werd tegengewerkt.
Als kritiek ons verlamt, zullen we het nooit maken als geestelijke leiders. Ik wil niet zeggen dat we mensen moeten zijn die de beledigingen niet voelen, maar wel dat we niet uit het veld geslagen moeten worden door de beledigingen. We moeten met Paulus in 2 Corintiërs 4:8 kunnen zeggen: “In alles zijn wij in de druk, doch niet in het nauw; om raad verlegen, doch niet radeloos; vervolgd, doch niet verlaten; ter aarde geworpen, doch niet verloren.” We zullen de kritiek voelen, maar er niet door verlamd worden. zoals Paulus zegt in 2 Corintiërs 4:16: “Wij verliezen de moed niet.” Leiders moeten in staat zijn depressies te verteren, want ze zullen er heel wat te slikken krijgen. Er zullen vele dagen zijn dat de verleiding om ermee te kappen heel sterk wordt door ondankbare mensen. Kritiek is één van satans meest geliefde wapens om krachtige christen leiders over te halen om de handdoek in de ring te werpen. Toch wil ik deze eigenschap van dikhuidigheid nader omschrijven. Ik wil niet de indruk geven dat geestelijke leiders doof zijn voor gegronde kritiek. Een goede leider moet niet alleen een dikke huid hebben, maar ook open staan voor terechte kritiek, nederig bereid zijn ze te aanvaarden en toe te passen. Geen enkele leider is volmaakt en Jonathan Edwards zei eens dat hij er een geestelijke sport van maakte naar de waarheid te zoeken in elke kritiek die hij kreeg, alvorens ze opzij te zetten. Dat is een goed advies.
6. DYNAMISCH
Luie mensen kunnen geen leiders zijn. Geestelijke leiders “kopen de tijd uit” (Efeziërs 5:16 SV). Ze werken terwijl het dag is, omdat ze weten dat er een nacht komt dat niemand kan werken (Johannes 9:4). Ze “worden niet moe van het goeddoen”, want ze weten dat ze te rechter tijd zullen oogsten als ze niet verslappen (Galaten 6:9). Ze zijn “standvastig, onwankelbaar, altijd overvloedig in het werk des Heren, wetende dat hun werk niet tevergeefs is in de Here” (1 Corintiërs 15:58). Maar ze eisen niet de eer op voor deze grote energie, of roemen niet op hun inspanningen, omdat ze met de apostel Paulus zeggen: “Ik heb harder gewerkt dan allen, doch niet ik, maar de genade Gods die in mij is” (1 Corintiërs 15:10). En: “Hiervoor span ik mij in, onder zware strijd, naar Zijn werking die in mij werkt met kracht” (Colossenzen 1:29).
De wereld wordt bestuurd door vermoeide mensen, heeft ooit iemand gezegd. Een leider moet leren leven met druk. Niemand krijgt veel voor elkaar zonder limieten en limieten creëren altijd een gevoel van druk. Een leider ziet de druk van werk niet als een vloek, maar als een zegen. Hij wil zijn leven niet verdoen in overmatige ontspanning. Hij verkiest productief te zijn, biedt het hoofd aan druk en verhindert dat de toestand zorgelijk wordt. Hij vertrouwt op Gods beloften, zoals vermeld in Mattheüs 11:27, 28, Filippenzen 4:7, 8 en Jesaja 64:4.
7. EEN KRITISCH DENKER
“Weest kinderen in de boosheid, maar word in het verstand volwassen!” (1 Corintiërs 14:20). Het is niet makkelijk om een leider te zijn van mensen die je denken voor zijn. Een leider moet iemand zijn die gaat denken zodra hij een opeenstapeling van situaties ziet. Hij gaat met pen en kladbloc zitten krabbelen, schrijven en ontwerpen. Hij toetst alles in zijn geest en houdt over wat goed is (1 Tessalonicenzen 5:21). Hij is kritisch in de goede zin van het woord, dus niet naïef, grillig of modieus. Hij weegt dingen af, bekijkt de voor- en nadelen en zorgt dat hij altijd een illustratief argument klaar heeft voor de beslissingen die hij neemt. Zorgvuldig en rigoureus denkwerk staat niet haaks op vertrouwend gebed en goddelijke openbaring. De apostel Paulus zei tot Timotheüs: “Let wel op wat ik zeg, want de Here zal u in alles inzicht geven” (2 Timotheüs 2:7). Met andere woorden, Gods manier om ons inzicht te geven betekent niet het kortsluiten van het intellectuele proces.
8. UITGESPROKEN
Het is moeilijk anderen te leiden als je je gedachten niet duidelijk en krachtig kunt verwoorden. Leiders als Paulus trachten mensen te overtuigen, niet te dwingen (2 Corintiërs 5:11). Leiders die geestelijk zijn, verzamelen geen volgelingen om zich heen met onzin, opwellingen of losse woorden, maar veeleer met frisse, degelijke, overtuigende volzinnen. Zoals alle goede leiders streefde de apostel Paulus naar duidelijkheid in wat hij zei. Zo vroeg hij in Colossenzen 4:3,4 de mensen om voor hem te bidden, opdat hij het geheimenis van Christus zô in het licht mocht stellen, als hij het behoorde te spreken. Het is verbijsterend en bedroevend hoeveel mensen vandaag de dag niet eens in staat zijn in complete volzinnen te spreken. Het resultaat is dat een dikke mist hun denken omhult. Zij, noch hun toehoorders weten precies waarover gesproken wordt. Een nevel bedekt de discussie en je gaat weg en vraagt je af waarover het eigenlijk ging. Als niemand uitstijgt boven de warrigheid en verbale chaos van “Weet je wel…”, “Ik bedoel maar…”, “Werkelijk waar”, dan is er geen sprake van leiderschap.
9. BEKWAAM OM TE ONDERWIJZEN
Het verbaast mij niet dat enigen van de grote leiders van de Bethlehem Baptistengemeente mensen waren, die ook markante leraars zijn. Volgens 1 Timotheüs 3:2 zou ieder die streeft naar het ambt van oudste in de gemeente, in staat moeten zijn te onderwijzen. Wat is een goede leraar? Ik geloof dat een goede leraar ten minste de volgende kenmerken heeft.
Een goede leraar stelt zichzelf de moeilijkste vragen, zoekt naar de antwoorden en stelt dan provocerende vragen op voor zijn leerlingen om hun denken te stimuleren.
Een goede leraar splitst zijn onderwerp op in onderdelen, ziet de verbanden en ontdekt de eenheid van het geheel.
Een goede leraar kent de problemen die de leerlingen kunnen ondervinden met zijn onderwerp, moedigt hen aan en helpt ze over de hobbels van de ontmoediging heen.
Een goede leraar voorziet tegenwerpingen en doordenkt ze, zodat hij ze op verstandige wijze kan beantwoorden.
Een goede leraar kan zich inleven in de situatie van een verscheidenheid van leerlingen en daardoor moeilijke dingen uitleggen in bewoordingen die duidelijk zijn vanuit hun standpunt.
Een goede leraar is concreet, niet abstract, specifiek, niet algemeen, duidelijk, niet vaag, kwetsbaar, niet ontwijkend.
Een goede leraar vraagt altijd: “En dan?” en tracht te begrijpen hoe ontdekkingen heel ons systeem van denken vormen. Hij tracht verbanden te leggen tussen ontdekkingen en het dagelijkse leven en vermijdt de hokjesgeest.
Het doel van een goede leraar is het hele leven en denken tot een eenheid te vormen die Christus eer aandoet.
10. EEN GOEDE MENSENKENNER
Jezus kende de harten van mensen (Johannes 2:17) en Hij spoorde ons aan om vooruitziend te zijn bij het inschatten van anderen (Mattheüs 7:15 e.v.). Leiders moeten weten wie voor welk werk geschikt is. Goede leiders hebben goede neuzen. Ze halen de meelopers er onmiddellijk uit, degenen die altijd luisteren zonder ooit te leren of te veranderen. Ze kunnen talent ontdekken bij een beginneling. Ze horen al snel de echo’s van trots, huichelarij en wereldse gezindheid. De geestelijke leider vaart een voorzichtige koers tussen de gevaren van starre vooroordelen enerzijds en onverschilligheid anderzijds.
11. TACTVOL
Paulus zei in Colossenzen 4:5, 6: “Gedraagt u als wijzen ten opzichte van hen die buiten staan, maakt u de gelegenheid ten nutte. Uw spreken zij te allen tijde aangenaam, niet zouteloos; gij moet weten hoe gij aan ieder het juiste antwoord moet geven.” En de schrijver van Spreuken zei: “Een woord, in juiste vorm gesproken, is als gouden appelen op zilveren schalen” (25:11). We moeten bedenken dat leiders ernaar streven harten te veranderen, niet enkel dat taken worden uitgevoerd. Daarom is het onnodig buitensluiten van mensen zelfvernietigend. Tact is die genadegave die het vertrouwen van mensen wint die er zeker van zijn dat je niets dwaas zult doen of zeggen. Je kunt je volgelingen niet begeesteren als mensen verlegen het hoofd moeten buigen bij de ongepaste en harteloze dingen die je zegt of doet. Voor een leider is tact bij uitstek nodig om het hoofd te helpen bieden aan pijnlijke of tragische situaties. Bijv.: bij het leiden van een groep gebeurt het niet zelden dat iemand iets zegt dat absoluut niet ter zake is en door alle anderen als ontzettend dom wordt ervaren. Een tactvol leider moet in staat zijn de aandacht van de groep terug naar het hoofdonderwerp van het gesprek te brengen, zonder dat die ander het voorwerp van spot wordt. Een ander voorbeeld dat ik me herinner, is een gebeurtenis op Wheaton College. Ik was aanwezig bij een dienst in de kapel toen V. Raymond Edman op de preekstoel een hartaanval kreeg, ineenzakte en overleed. Hudson Armerding, die hem volgde als directeur, zat achter hem toen Dr. Edman plots ophield midden in z’n preek, een stap opzij zette en viel. In één van de mooiste en meest fijngevoelige demonstraties van tact die ik ooit zag, knielde Dr. Armerding snel naast hem neer terwijl 2.000 studenten verstomden. Daarna stond hij op, ging ons voor in een kort gebed waarin hij Dr. Edman aan de Here opdroeg en zond de studenten rustig weg. Dr. Edman stierf terwijl wij naar buiten gingen.
De tact van een leider moet tot uitdrukking komen in een directe confrontatie. Wie niet bereid is naar iemand toe te gaan die een vermaning of terechtwijzing nodig heeft, zal geen succesvol geestelijk leider zijn. In combinatie met zijn mensenkennis zal tact iemand die leiding geeft in staat stellen om delicate onderhandelingen te voeren en tegengestelde standpunten te verzoenen. Zijn woordkeus is veeleer sluw dan stuntelig (het is een groot verschil of je zegt: “Je voet is te groot voor deze schoen”, of: “Deze schoen is te klein voor je voet”).
12. THEOLOGISCH GERICHT
Colossenzen 3:17 zegt: “Doet alles in de naam des Heren Jezus.” 1 Corintiërs 2:16 spreekt over de geestelijke mens als iemand die de Geest van Christus heeft. Een geestelijk leider weet dat heel het leven tot in z’n kleinste details te maken heeft met God. Als we mensen moeten leiden zodat ze Gods heerlijkheid zien en weerspiegelen, moeten we over alles theologisch nadenken. We moeten naar een synthese van alle dingen toe werken. We moeten nagaan hoe de dingen met elkaar in overeenstemming zijn. Hoe hangen oorlog, sport, pornografie, verjaardagspartijtjes, literatuur, ruimtereizen, ziekte en ondernemen allemaal samen? In welk verband staan ze met God en Zijn plannen?
Leiders moeten een theologisch standpunt hebben, dat hen helpt bij het leggen van verbanden tussen alle dingen. Dat geeft hun een stabiliteit die verhindert dat ze worden meegesleept door plots veranderende omstandigheden, of door nieuwe winden van leer. Ze weten voldoende over God en Zijn wegen om te zien dat de dingen over het algemeen in een patroon passen en ook zin hebben, zelfs al zijn ze onaangenaam. Daarom steekt een leider niet ontmoedigd de handen in de lucht, maar gaat onverminderd voort op de weg naar God.
13. EEN DROMER
Dit zegt Joël 2:28 over de laatste dagen (waarin we thans leven): “Uw ouden zullen dromen dromen en uw jongelingen zullen gezichten zien.” Dit is de positieve tegenhanger van rusteloosheid. We moeten niet alleen ontevreden zijn met het heden, maar ook dromen van wat de toekomst kan brengen. In 2 Koningen 6:15-17 worden Elisa en zijn knecht in de stad Dothan omringd door de Assyriërs. Als de knecht dit ziet en het van ontzetting uitschreeuwt, bidt Elisa en zegt: “O Here, open zijn ogen opdat hij mag zien.” En de Here opent de ogen van de jongeman en hij ziet; “en zie, de berg was vol paarden en wagens van vuur rondom Elisa”.
Leiders zien hoe de kracht Gods de toekomstige problemen overschaduwt. Dit is een buitengewone gave – de soevereine kracht van God te zien temidden van schijnbaar overweldigende weerstand. De meeste mensen zijn specialist in het zien van alle problemen en redenen om geen risico te lopen en vooruit te gaan. Menig voorganger wordt gekelderd door kerkenraden die denken dat ze hun plicht gedaan hebben als ze alle mogelijke hinderpalen en problemen hebben opgeworpen tegen een idee dat hij inbrengt. Dat is goedkoop. Hoop en uitkomsten zijn duur. De geest van stoutmoedigheid heeft z’n prijs vandaag. O, wat hebben we een nood aan mensen die al was het maar vijf minuten per week willen besteden om te dromen van wat mogelijk zou kunnen gebeuren. De tekst zegt dat oude mannen dromen zullen dromen. Hoe triest is het dan om te zien dat zoveel oude mensen menen dat hun leeftijd betekent dat ze nu kunnen ‘freewheelen’ en de creativiteit aan de jongeren overlaten. ‘t Is tragisch als leeftijd de mens afstompt veeleer dan zijn creativiteit te doen toenemen. Elke nieuwe gemeente, organisatie, zending of instelling, ieder streven is het resultaat van iemand die een visie heeft en daar koppig aan vasthoudt.
14. GEORGANISEERD EN EFFICIENT
Een leider houdt niet van rommel. Hij wil weten waar en wanneer iets het makkelijkste kan bereikt en gebruikt worden. Hij verkiest de rechte lijn als model, niet de cirkel. He kan wel janken van vergaderingen die maar blijven rondcirkelen in irrelevante vooropstellingen en maar niet tot besluiten kunnen komen. Als er iets gedaan moet worden, heeft hij daarvoor een driestappenplan en ontvouwt dat. Een leider ziet de samenhang tussen een raadsbeslissing en de implementering ervan. Hij vindt manieren om de tijd maximaal te benutten en bouwt z’n tijdschema zô op dat hij maximaal kan renderen. Hij reserveert grote tijdsblokken voor zijn kerntaken en gebruikt ook de kleine tijdsperiodes, zodat ze niet verloren gaan. Bijv.: wat doe je terwijl je je tanden poetst? Kun je eventueel een tijdschrift op het handdoekenrek zetten en een artikel lezen? Een leider neemt tijd om z’n dagen, weken, maanden en jaren te plannen. Ook al is het God die uiteindelijk de stappen van de leider bepaalt, doet deze er goed aan zijn weg te plannen. Een leider is geen kwal die heen en weer geslingerd wordt door de golven, maar oog geen onbeweeglijke oester. Een leider is de dolfijn van de zee die tegen de stroom in of met de stroom mee kan zwemmen, zoals het hem schikt.
15. BESLUITVAARDIG
In 1 Koningen 18:21 roept Elia uit: “Hoelang zult gij aan beide zijden mank gaan? Indien de Here God is, volgt Hem na; maar indien het Baäl is, volgt hem na.” Een leider kan niet verlamd worden door besluiteloosheid. Hij neemt veeleer risico’s dan niets te doen. Hij dompelt zichzelf onder in gebed en in het Woord; dan vertrouwt hij zich voor zijn beslissingen toe aan Gods soevereine kracht, wetend dat hij meer dan waarschijnlijk vergissingen zal begaan.
16. VOLHARDEND
Jezus zei in Mattheüs 24:13: “Wie volhardt tot het einde, zal behouden worden.” Paulus zei in Galaten 6:9: “Laten wij niet moe worden goed te doen.” We leven in een tijd dat gewoonlijk onmiddellijke voldoening wordt geëist. Dit betekent dat er maar weinigen zijn die uitblinken in de deugd van volharding. Zeer weinigen gaan door en gaan door in dezelfde bediening als er ernstige moeilijkheden opduiken. Nochtans, visie zonder volharding resulteert in sprookjes, niet in een vruchtbare zending. Mijn vader vertelde me ooit dat de reden waarom volgens hem vele voorgangers geen opleving zien in hun gemeente, is dat ze weggaan vlak vôôrdat het gebeurt. De lange kuur is zwaar, maar ze loont. De dikke boom wordt geveld door vele, vele kleine slagen. De kritiek die op je weg komt, wordt snel vergeten, als je de wil van God blijft doen.
17. EEN MINNAAR
Ik spreek hier rechtstreeks tot mannen die getrouwd zijn en leiding geven. Paulus zei in Efeziërs 5:25: “Mannen, hebt uw vrouwen lief!” Hou van haar! Hou van haar! Wat baat het een man als hij een grote aanhang wint en z’n vrouw verliest? Waar hebben we mensen heengeleid, als ze zien dat dit ons tot echtscheiding brengt? Wat we vandaag nodig hebben, zijn leiders die ook grote minnaars zijn. Mannen die gedichten schrijven, liedjes zingen en bloemen kopen voor hun vrouwen om geen enkele andere reden dan dat ze van hen houden. We hebben leiders nodig die weten dat ze zo nu en dan een dag alleen met hun vrouw moeten doorbrengen; leiders die niet vervallen in de gewoonte om hun vrouwen uit te lachen en op hun plaats te zetten, vooral met kleine nonchalante opmerkingen in publiek; leiders die in het openbaar lovend spreken over hun vrouw en haar spontaan complimentjes maken als ze alleen zijn; leiders die hun vrouw teder aanraken op andere ogenblikken dan wanneer ze in bed liggen. Eén van de grootste verleidingen voor een actieve leider is als hij z’n vrouw begint te behandelen als een soort seksobject. Dat begint duidelijk te worden als hij haar alleen maar hartstochtelijk kust of streelt, als hij tracht haar het bed in te lokken. Het is tragisch als een vrouw een ledenpop wordt voor zelfbevrediging. Ontdek welke haar lusten zijn en breng haar tot de hoogste ervaring van seksueel genot. Praat met haar en leer haar verlangens kennen. Kijk haar in de ogen als je met haar praat. leg de krant neer en zet de televisie uit. Open de deur voor haar. Help haar met de afwas. Bouw eens ‘n feestje voor haar. HOU VAN HAAR! HOU VAN HAAR! Doe je dat niet, dan kan al je succes als leider op een dag thuis in een complete mislukking uiteenspatten.
18. RUSTIG
We begonnen met de rusteloosheid als kwaliteit en we eindigen met die van de rust. “Als de Here het huis niet bouwt, tevergeefs zwoegen de bouwlieden daaraan; als de Here de stad niet bewaart, tevergeefs waakt de wachter. Het is voor u tevergeefs dat gij vroeg opstaat, laat opblijft, brood der smarten eet – Hij geeft het immers Zijn beminden in de slaap” (Psalm 127:1,2). De geestelijke leider weet dat de productiviteit van zijn arbeid uiteindelijk berust bij God en dat God meer kan doen terwijl hij slaapt dan hijzelf zonder God zou kunnen als hij wakker is. Hij weet dat Jezus tot Zijn bedrijvige discipelen zei: “Komt hier en gaat met Mij alleen naar een eenzame plaats en rust een weinig” (Marcus 6:31). Hij weet dat één van de Tien Geboden was: “Zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is een Sabbat voor de Here uw God” (Exodus 20:9,10). Hij is niet zozeer aan werk verslaafd dat hij niet zou kunnen rusten. Hij is een goed rentmeester van zijn leven en gezondheid. Hij maximaliseert het geheel van z’n arbeid door de mogelijke spanning te meten waaronder hij kan werken zonder zijn efficiëntie te verminderen, of z’n leven te zeer te verkorten.
Besluit
Er zijn ongetwijfeld vele andere kwaliteiten die vermeld zouden kunnen worden en die, als iemand ze heeft, een nog succesvoller leider van hem zouden maken. De hoger genoemde kwaliteiten kwamen me gewoon voor de geest bij het overpeinzen van dit onderwerp. Men moet niet in al deze dingen uitblinken. Echter, hoe meer elk daarvan bij iemand gerijpt is, hoe krachtiger en vruchtbaarder hij zal zijn als leider. Laat me nogmaals onderstrepen dat het de binnencirkel is die het leiderschap geestelijk maakt. Elk waarachtig leiderschap begint in een gevoel van ontreddering, de wetenschap dat we hulpeloze zondaars zijn die een grote Verlosser nodig hebben. Dat brengt ons tot luisteren naar God in Zijn Woord en roepen tot Hem om hulp en inzicht in het gebed. Dit leidt op zijn beurt tot vertrouwen in God en hoop op Zijn grote en kostbare beloften. Dit maakt ons vrij voor een leven van liefde en dienstbetoon, die uiteindelijk aanleiding zullen zijn voor andere mensen, dat ze onze Vader in de hemel zullen zien en Hem de eer zullen geven.
Vertaald door – en rechtsreeks overgenomen van “http://gospeltranslations.org/wiki/The_Marks_of_a_Spiritual_Leader/nl”!